Invasieve onderzoeken

Een coronarografie is een onderzoek waarbij beelden gemaakt worden van het hart en de kransslagaders; dit zijn de bloedvaten die het hart van bloed en zuurstof voorzien. Aan de hand van deze beelden kunnen eventuele vernauwingen worden opgespoord. Daarnaast kunnen ook de hartfunctie en de hartkleppen worden beoordeeld. Indien er een kransslagadervernauwing is, kan deze dikwijls tijdens hetzelfde onderzoek behandeld worden met een stent. Een stent is een soort metalen veertje dat de vernauwing van het bloedvat oprekt en openhoudt.

Na lokale verdoving wordt een buisje ingebracht via een slagader in de pols. Een fijne katheter wordt langs de arm opgevoerd tot aan het hart. De kransslagaders, die net boven het hart ontspringen, worden selectief “aangehaakt” door de katheter en met contraststof in beeld gebracht. Bij sommige mensen is de slagader in de pols te klein of te gevoelig en dient het onderzoek via de lies te gebeuren. De beste behandeling voor vernauwingen van de kransslagaders verschilt van persoon tot persoon, gaande van medicatie tot het plaatsen van een stent of een operatie (overbrugging / CABG). Uw arts zal in onderling overleg voor een optimale therapie kiezen. Het onderzoek neemt ongeveer 30 minuten in beslag. Indien er een stent moet worden geplaatst, duurt dit langer.
Er wordt gebruik gemaakt van röntgenstraling, dit kan carcinogene en huideffecten veroorzaken. De stralingsdosis bij coronarografie is echter minimaal en te laag om huideffecten te veroorzaken. Indien een bepaalde dosis zou overschreden worden zal de arts u inlichten.

Wanneer het onderzoek afgelopen is, wordt het buisje uit de pols (of lies) verwijderd en zal een drukverband op de prikplaats worden aangebracht. Vervolgens dient u nog een paar uur ter observatie in het ziekenhuis te blijven tot de prikplaats gesloten is. Normaal gezien kan u dezelfde dag het ziekenhuis verlaten. Indien een stent geplaatst wordt, moet u rekenen op 1 nacht opname. Gelieve dus in elk geval toiletgerief en slaapkledij mee te brengen.

Voor het onderzoek moet u niet nuchter blijven. Uw arts informeert u over welke medicatie u dient te nemen of met welke medicatie u moet stoppen.

Het is best mogelijk dat u na het lezen nog bijkomende vragen hebt, aarzel dan niet deze te bespreken met uw arts of de verpleegkundige.

Deze ingreep kan uitgevoerd worden door:

Coronarografie met eventuele stent-implantatie

Een inwendige defibrillator of ICD (Internal Cardioverter Defibrillator) is een toestel dat dient om levensbedreigende hartritmestoornissen te stoppen en zo plotse dood te voorkomen. Een ICD kan dit doen door het hart snelle elektrische prikkels te geven en indien dit niet succesvol is, kan de ICD u een elektrische schok toedienen. Daarnaast hebben de meeste ICDs ook een pacemakerfunctie waarbij ze het hart elektrische impulsen kunnen geven in geval van een te traag hartritme. Een ICD monitort continu uw hartritme door middel van 1 of 2 geleidingsdraadjes (elektroden) die met hun punt in de hartspier worden vastgeschroefd en met hun uiteinde aan de ICD worden verbonden.

De ICD wordt onder het sleutelbeen (bij voorkeur links) onderhuids boven de borstspier ingebracht. De procedure gebeurt onder lokale verdoving. De implantatie gebeurt als volgt: u neemt plaats op uw rug op de behandeltafel en er worden elektroden op uw lichaam bevestigd om uw hartritme te volgen. Daarnaast wordt uw bloeddruk en zuurstofgehalte gemeten. Vervolgens zal uw schouderstreek worden ontsmet en komen er steriele doeken over u heen; uw gezicht blijft wel vrij. De arts zal via een inspuiting ter hoogte van de schouder een plaatselijk verdovend middel toedienen. Er wordt vervolgens een incisie van een aantal cm gemaakt die toelaat om ruimte te creëren voor de ICD, de zogenaamde pocket. Voor een ICD is de benodigde ruimte groter dan bij een pacemaker omdat het toestel groter is omwille van de batterij. Er wordt een bloedvat (ader) opgezocht waarlangs de geleidingsdraden kunnen ingebracht en opgevoerd worden om zo het hart te bereiken. Hiervan zal u niets voelen; indien u tijdens de procedure hinder zou ondervinden, kan u dit steeds aangeven. Om de positie goed te kunnen bepalen, wordt er gebruik gemaakt van röntgenstraling. Eens de draden ter plaatse zijn, worden deze uitgemeten en getest. De punt van de elektroden wordt in het hart vastgeschroefd en het uiteinde wordt verbonden met de ICD. Uiteindelijk wordt de ICD zelf onder de huid geplaatst en wordt de wonde gesloten. Hierna wordt een stevig verband aangebracht.
Na de procedure hebt u gedurende enkele uren (relatieve) bedrust. Voor en na de procedure zal u preventieve antibiotica toegediend krijgen om een infectie te voorkomen.
U dient na de ICD implantatie minstens 1 dag in het ziekenhuis te verblijven. Dit laat ons toe om de dag na implantatie de wonde te controleren, de werking van de ICD na te gaan en een röntgenfoto te maken om de positie van de elektrode(n) in het hart na te gaan en eventueel complicaties uit te sluiten.

Nazorg :

De 1ste week na implantatie moet u de wonde mooi droog houden; de aangebrachte pleister dient ter plaatse te blijven. Een bad nemen of douchen wordt best vermeden.
Gedurende de eerste 6 weken na de ingreep moet u de arm aan de kant van de ICD wat te ontlasten en extreme bewegingen te vermijden (arm niet boven het hoofd tillen of achter de rug brengen).

Er geldt een wettelijk rijverbod van 1 maand na implantatie (bij primaire preventie) en 3 maanden (bij secundaire preventie). Uw arts zal u hiervan op de hoogte brengen.

Complicaties :
De implantatie van een ICD kent weinig risico’s. De zeldzame complicaties die kunnen optreden zijn :

  • Nabloeding: dit wordt tegengegaan door druk uit te oefenen op de wonde met behulp van een specifiek verband.
  • Klaplong: dit wordt gecontroleerd met een röntgenfoto.
  • Infectie: neem contact op met uw cardioloog als de wonde rood, dik en/of pijnlijk wordt of als er etter of bloed uit de wonde komt.
  • Verplaatsing van elektroden, daar voelt u zelf meestal niets van. Dit gebeurt slechts sporadisch en voornamelijk in de eerste weken. Dit kan bij uw volgende controle (maand na implantatie) worden vastgesteld.
  • Er wordt gebruik gemaakt van röntgenstraling, dit kan carcinogene en huideffecten veroorzaken. De stralingsdosis bij een ICD implantatie is echter minimaal en doorgaans te laag om huideffecten te veroorzaken. Indien een bepaalde dosis zou overschreden worden zal de arts u inlichten.
  • Onterechte shock, het kan voorkomen dat een ICD u onterecht een shock geeft door een foutieve interpretatie van uw hartritme, met de huidige toestellen is deze kans echter erg klein.
    Na verloop van tijd (>10-15 jaar) kan het zijn dat een elektrode niet meer adequaat werkt, een nieuwe elektrode moet dan geplaatst worden.

Bel altijd uw cardioloog als :

  • De ICD u een schok heeft gegeven
  • U merkt dat u een ernstige ritmestoornis heeft (snelle hartkloppingen met duizeligheid)
  • Als u buiten bewustzijn bent geraakt
  • De ICD piept, bv. om aan te geven dat de batterij opraakt.
  • Er ontstekingsverschijnselen zijn (bv rode en opgezwollen huid rondom de ICD)

Deze ingreep kan uitgevoerd worden in het ZNA Middelheim door :

Het hart is de motor van het lichaam en zorgt voor de bloedcirculatie. Het samentrekken en ontspannen van de hartspier wordt gestuurd door elektrische impulsen vanuit het hart. Wanneer er iets mis is met die elektrische activiteit kan het zijn dat u een pacemaker nodig heeft.
Een pacemaker is een gesofisticeerd stukje elektronica dat continu uw hartritme volgt en wanneer nodig elektrische impulsen geeft. Aan de pacemaker worden 1 of 2 geleidingsdraadjes (elektroden) verbonden die met hun punt in de hartspier worden vastgeschroefd. Telkens wanneer de pacemaker een elektrische impuls geeft, wordt het hart gestimuleerd om samen te trekken.
De pacemaker wordt onder het sleutelbeen (links of rechts) onderhuids boven de borstspier ingebracht. De procedure gebeurt onder lokale verdoving. De implantatie gebeurt als volgt: u neemt plaats op uw rug op de behandeltafel en er worden elektroden op uw lichaam bevestigd om uw hartritme te volgen. Deze zijn ook nodig om aan het einde van de ingreep de pacemaker goed te kunnen instellen. Daarnaast wordt uw bloeddruk en zuurstofgehalte gemeten. Vervolgens zal uw schouderstreek worden ontsmet en komen er steriele doeken over u heen; uw gezicht blijft wel vrij. De arts zal via een inspuiting ter hoogte van de schouder een plaatselijk verdovend middel toedienen. Er wordt vervolgens een kleine incisie van een aantal cm gemaakt die toelaat om ruimte te creëren voor de pacemaker. Er wordt een bloedvat (ader) opgezocht waarlangs de geleidingsdraden kunnen ingebracht en opgevoerd worden om zo het hart te bereiken. Hiervan zal u niets voelen, moest u tijdens de procedure hinder ondervinden kan u dit steeds aangeven. Om de positie goed te kunnen bepalen wordt er gebruik gemaakt van röntgenstraling. Eens de draden ter plaatse zijn, worden deze uitgemeten en getest. De punt van de elektroden wordt in het hart vastgeschroefd en het uiteinde wordt verbonden met de pacemaker. Uiteindelijk wordt de pacemaker zelf onder de huid geplaatst en wordt de wonde gesloten. Hierna wordt een stevig verband aangebracht.
Na de procedure hebt u gedurende enkele uren (relatieve) bedrust. Voor en na de procedure zal u preventieve antibiotica toegediend krijgen om een infectie te voorkomen.
U dient na de pacemakerimplantatie minstens 1 dag in het ziekenhuis te verblijven. Dit laat ons toe om de dag na implantatie de wonde te controleren, de pacemakerfunctie na te gaan en een röntgenfoto te maken om de positie van de elektroden in het hart na te gaan en eventueel complicaties uit te sluiten.

Nazorg:

  • De 1ste week na implantatie dient u de wonde mooi droog te houden, de aangebrachte pleister dient ter plaatse te blijven. Een bad nemen of douchen wordt best vermeden.
  • Gedurende de eerste 6 weken na de ingreep dient u de arm aan de kant van de pacemaker wat te ontlasten en extreme bewegingen te vermijden (arm niet boven het hoofd tillen of achter de rug brengen).
  • De 1ste maand na implantatie mag u volgens de wet niet met de wagen rijden.

Complicaties:
De implantatie van een pacemaker kent weinig risico’s. De zeldzame complicaties die soms optreden zijn:

  • Nabloeding: dit wordt tegengegaan door druk uit te oefenen op de wonde met behulp van een specifiek verband.
  • Klaplong: dit wordt gecontroleerd met een röntgenfoto.
  • Infectie: neem contact op met uw cardioloog als de wonde rood, dik en/of pijnlijk wordt of als er etter of bloed uit de wonde komt.
  • Verplaatsing van elektroden: daar voelt u zelf meestal niets van. Dit gebeurt slechts sporadisch en voornamelijk in de eerste weken. Dit kan bij uw volgende controle (maand na implantatie) worden vastgesteld.
  • Er wordt gebruik gemaakt van röntgenstraling, dit kan carcinogene en huideffecten veroorzaken. De stralingsdosis bij pacemaker implantaties is echter minimaal en doorgaans te laag om huideffecten te veroorzaken. Indien een bepaalde dosis zou overschreden worden, zal de arts u inlichten.

Deze ingreep kan uitgevoerd worden door:

Pacemaker-plaatsing

Het pericard of hartzakje is een stevig dubbelvlies rondom het hart. De binnenste laag is vergroeid met de hartspier. Het beschermt het hart tegen invloeden van buitenaf en houdt het op zijn plaats in de borstkas. Een kleine hoeveelheid (15-50ml) helder vocht tussen beide lagen zorgt ervoor dat het hart goed kan samentrekken en uitzetten zonder wrijving te veroorzaken.
Door ziekte of trauma kan er te veel vocht in het hartzakje komen, waardoor uitzetting van het hart moeilijk wordt. Hierdoor ontstaan er klachten zoals kortademigheid. Door middel van pericardpunctie wordt dit (te veel) aan pericardvocht in het hartzakje verwijderd. Daardoor krijgt het hart meer ruimte en verminderen de klachten snel.

Na plaatselijke verdoving, vaak net onder het borstbeen, prikt de cardioloog met behulp van röntgenstralen en/of echografie het hartzakje aan met een holle naald en brengt een dun slangetje (drain) in. Het meeste pericardvocht wordt verwijderd en stalen voor onderzoek worden afgenomen. Zo nodig blijft de drain nog enige tijd ter plaatse. De druk neemt direct af en het hart kan weer normaal pompen. De klachten die u had, verdwijnen snel. De ingreep duurt ongeveer 30 minuten. Na de pericardpunctie blijft u nog even in het ziekenhuis.

Deze ingreep kan uitgevoerd worden door: